Begrotingssaldo 2018 - 2024

Hieronder staat aangegeven hoe het begrotingssaldo zich ontwikkelt ten opzichte van de stand van de voor de zomer door Provinciale Staten vastgestelde Kadernota 2018 - 2021. Het begrotingssaldo is het verschil tussen de baten en lasten op de provinciale begroting na verrekening met de inzet van reserves. Dit saldo moet conform de uitgangspunten van het BBV minimaal ‘nul’ zijn. Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2017 en Kadernota 2018 - 2021 doen de ontwikkelingen zich met name voor binnen de algemene dekkingsmiddelen (Provinciefonds, opcenten Motorrijtuigenbelasting) en de rentelasten. Per saldo is in 2018 sprake van een incidentele voordelige ontwikkeling van het begrotingssaldo van € 1,6 mln. Dit bedrag wordt (conform de begrotingssystematiek) van de provincie in de algemene reserve gestort.

Stand begrotingssaldo 2018-2024

(bedragen x € 1 mln)

Huidige
collegeperiode

Nieuwe collegeperiode

i/s

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

A

Beginstand Kadernota 2018-2021

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties kadernota

i/s

3,6

6,6

9,4

9,5

7,7

4,8

0,4

Verrekening met algemene reserve

i

-3,6

-6,6

-9,4

-9,5

-7,7

-4,8

-0,4

Eindstand Kadernota 2018-2021

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

B

Begroting 2018:

Exogene ontwikkelingen:

1

Provinciefonds

a

Meicirculaire 2017 doorwerking NJN 2017

s

-1,6

-1,6

-1,6

-1,6

-1,6

-1,6

-1,6

b

Meicirculaire 2017 jaarschijf 2018

s

12,0

12,0

12,0

12,0

12,0

12,0

12,0

c

Behoedzaamheid Provinciefonds

s

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

d

Septembercirculaire 2017

s

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

e

Komende circulaires

s

pm

pm

pm

pm

pm

pm

pm

2

Opcenten MRB

a

Ontwikkelingen wagenpark

s

6,1

3,1

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

b

Behoedzaamheid Motorrijtuigenbelasting

s

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

3

Werkgeverslasten

s

-0,6

-0,6

-0,6

-0,6

-0,6

-0,6

-0,6

4

CAO

s

-3,6

-3,6

-3,6

-3,6

-3,6

-3,6

-3,6

Totaal exogene ontwikkelingen

18,3

15,3

15,2

15,2

15,2

15,2

15,2

C

Moties/GS-voorstellen

1

715/720/728 *
Energietransitie gebouwde omgeving en glastuinbouw

i

-2,7

-2,7

-2,6

2

724: lnvesteren in economische innovatie

i

-8,0

-8,0

3

729:Gelijktrekken OV tarieven provinciale concessies

s

-0,6

-0,6

-0,6

-0,6

-0,6

-0,6

-0,6

4

Klimaatinstituut

i

-0,3

5

Detailhandel

i

-0,5

6

Verhogen budget erfgoedlijn

i

-0,8

7

Restauratie rijksmonumenten

i

-2,0

8

Risicoreservering Warmte Participatiefonds

i

-3,1

-3,1

Totaal Moties/GS-voorstellen

-18,0

-14,4

-3,2

-0,6

-0,6

-0,6

-0,6

D

Overige ontwikkelingen:

1

Vrijval post Onvoorzien

s

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

2

Jaarlijks overschot in exploitatiebudget planvorming bedrijventerreinen

s

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

3

Overhead Projecten

s

-0,8

-0,9

-0,9

-0,9

-0,9

-0,9

-0,9

4

TOP actualiseren fasering 17 t/m 19

i

-0,5

0,2

5

Overhevelen budget Versterken kwaliteit van de organisatie van 2017 naar 2018

i

-0,8

6

Overig (< 0,5 mln)

i/s

-0,5

-0,7

-0,3

-0,3

-0,3

-0,3

-0,4

Totaal overige ontwikkelingen

-1,5

-0,3

-0,2

-0,2

-0,2

-0,3

-0,3

E

Subtotaal (A+B+C+D)

-1,2

0,5

11,8

14,4

14,4

14,4

14,3

F

Rentelasten

2,8

5,1

4,8

5,3

7,4

7,4

10,8

G

Subtotaal (E+F)

1,6

5,6

16,6

19,7

21,8

21,8

25,1

H

Verrekening met algemene reserve **

i

-1,6

-5,6

-16,6

-19,7

-21,8

-21,8

-25,1

* 715 Make Zuid-Holland great again, 720 Verduurzaming van de gebouwde omgeving en glastuinbouw, 728 Energiebesparing Wonen

** een “min” is een toevoeging aan, een “plus” een onttrekking uit de algemene reserve.

Toelichting B: Begroting 2018

B1: Provinciefonds
a: Meicirculaire 2017 doorwerking Najaarsnota 2017
Op basis van de Meicirculaire 2017 nemen de inkomsten uit het Provinciefonds in 2017 € 1,6 mln af. Dit nadeel werkt structureel door.

Het bedrag is als volgt opgebouwd:

  • € 1,9 mln voordeel door een hoger accres. Dit komt hoofdzakelijk door een hogere loon- en prijsontwikkeling op de rijksbegroting.
  • € 0,9 mln nadeel door de eindafrekening van het BTW-compensatiefonds (BCF) over 2016. Gemeenten en provincies hebben in 2016 meer BTW gedeclareerd dan eerder door het Rijk geraamd. Hierdoor voegt het Rijk minder middelen toe aan het Provincie- (en Gemeente)fonds.
  • € 2,6 mln nadeel door ontwikkelingen in de verdeling van het Provinciefonds. Dit komt vooral door de relatief sterke groei van de inkomsten uit de opcenten (ten opzichte van het gemiddelde van alle provincies tezamen). In zowel de oude als nieuwe systematiek van het Provinciefonds, wordt een deel van de meeropbrengsten uit de opcenten ten opzichte van het landelijke gemiddelde, verevend via de inkomstenmaatstaf in het Provinciefonds.

b/e: Meicirculaire 2017 jaarschijf 2018 en komende circulaires
De Meicirculaire 2017 laat vanaf 2018 een voordelige ontwikkeling zien van € 12 mln structureel, vooral veroorzaakt door een groei van het accres. Dit voordeel is verwerkt in de Begroting 2018. Vanuit strategisch oogpunt is het van belang komende periode geld beschikbaar te houden voor het nieuwe regeerakkoord, wat ongetwijfeld nieuwe investeringen met zich mee gaat brengen. Dit is in het licht van de lopende kabinetsonderhandelingen nog niet concreet te maken.

c: Behoedzaamheid Provinciefonds
De provincie hanteert bij het ramen van de inkomsten uit het Provinciefonds een behoedzaamheidsmarge van € 2 mln (circa 1% van de inkomsten uit het Provinciefonds). Bij deze begroting is het risico van (relatief beperkte nadelige ontwikkelingen in het Provinciefonds) toegevoegd aan de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing en komt de tot nu toe gehanteerde behoedzaamheidsmarge structureel te vervallen.

d: Septembercirculaire 2017
Tegelijkertijd met de miljoenennota is ook de Septembercirculaire gepubliceerd door het Rijk. Doordat het zittende kabinet wat extra uitgaven doet, is in 2018 sprake van een structurele voordelige ontwikkeling van het accres.
Deels wordt deze voordelige ontwikkeling teniet gedaan door een nadelige ontwikkeling die structureel doorwerkt (in 2017 doet het Rijk juist wat minder uitgaven dan eerder geraamd). Per saldo is in 2018 sprake van een voordelige ontwikkeling van € 1,1 mln structureel.

B2: Opcenten Motorrijtuigenbelasting
a: Ontwikkelingen wagenpark
De raming voor de opcenten Motorrijtuigenbelasting wordt positief bijgesteld vanwege de positieve ontwikkelingen in het wagenpark. Voor 2018 is een opbrengst van € 334 mln geraamd, 0,7% meer dan in 2017. Verder worden er geen aannames gedaan over de ontwikkeling van het wagenpark, de raming wordt daarom de komende jaren stabiel gehouden. Dit wordt nader toegelicht in de paragraaf Lokale heffingen en in financiële begroting toelichting op de baten en lasten.

b: Behoedzaamheid Motorrijtuigenbelasting 2017
De provincie hanteert bij het ramen van de inkomsten uit het opcenten Motorrijtuigenbelasting een behoedzaamheidsmarge van € 3 mln (circa 1% van de inkomsten uit het opcenten Motorrijtuigenbelasting). Bij deze begroting is het risico van relatief beperkte nadelige ontwikkelingen van de opcenten Motorrijtuigenbelasting toegevoegd aan de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing en komt de tot nu toe gehanteerde behoedzaamheidsmarge structureel te vervallen.

B3: Werkgeverslasten
De werkgeverslasten voor de provincie nemen hoofdzakelijk toe door een stijging van de pensioenpremies. Per 1 januari 2018 stijgen de pensioenpremies met ongeveer 1,4%. Dit leidt tot een structurele verhoging van de werkgeverslasten ad € 0,9 mln. Deze stijging is naar aanleiding van een onderhandelaarsakkoord. Eind 2017 wordt de definitieve stijging bekend gemaakt. Het overige deel heeft te maken met een structurele verlaging van variabele loonkosten van € 0,3 mln.

B4: CAO
De nieuwe provincie-CAO voor de periode van 2017-2018 voorziet een structurele loonsverhoging van 2 % per 1 juli 2017 en 1,3 % per 1 januari 2018. Dit leidt tot een structurele verhoging van € 3,6 mln, bestaande uit € 2,2 mln structurele doorwerking van de verhoging per 1 juli 2017 en een structurele verhoging van € 1,4 mln per 1 januari 2018.

Toelichting C: Moties/GS-voorstellen

C1: 715/720/728 Energietransitie gebouwde omgeving en glastuinbouw
Voor energietranistie en voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving en glastuinbouw wordt € 8 mln extra beschikbaar gesteld, waarvan € 2,7 mln in 2018, € 2,7 mln in 2019 en € 2,6 mln in 2020.

C2: 724 Investeren in economische innovatie
Voor het extra investeren in economische innovatie. Bestaat uit extra investeren in de subsidieregeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) voor € 6 mln in 2018 en 2019. En voor de fieldlabs € 2 mln in 2018 en 2019.

C3: 729:Gelijktrekken OV tarieven provinciale concessies
Vanaf 2018 wordt zowel het kilometertarief streekbussen, als het kilometertarief voor Hoogwaardig Openbaarvervoer/R-net in de concessie Zuid-Holland Noord verlaagd naar het tarief van de concessie Hoeksche Waard / Goeree-Overflakkee

C4: Klimaatinstituut
Global centre of excellence climate adaptation. Met het oog op het Rotterdamse/Zuid-Hollandse bod wordt in 2018 € 0,25 mln als maximale bijdrage van de provincie Zuid-Holland opgenomen.

C5: Detailhandel
De subsidieregeling planvorming detailhandel Zuid-Holland heeft als doel om de kwaliteit van winkelgebieden te verbeteren. Voor deze regeling wordt in 2018 € 0,5 mln beschikbaar gesteld.

C6: Verhogen budget erfgoedlijnen
Voor 2018 wordt € 0,8 mln beschikbaar gesteld voor de verhoging van het subsidieplafond erfgoedlijnen 2018. 

C7: Restauratie rijksmonumenten
Voor 2018 wordt € 2 mln beschikbaar gesteld voor de verhoging van het subsidieplafond Rijksmonumenten 2018. 

C8: Risicoreservering Warmteparticipatiefonds
In het Hoofdlijnenakkoord 2015 -2019 is aangegeven dat dit bestuur een energietransitie voorstaat naar een meer voorzien in eigen energiebehoefte. Om dit te bereiken wordt een energiefonds ingesteld, waarvoor € 100 mln is uitgetrokken met een risicoreserve van € 25 mln. Gekozen is voor een toekomstbestendige en transparante structuur in de vorm van een houdstermaatschappij en daaronder één of meer werkfondsen. De aandelen van de werkfondsen worden beheerd door de houdstermaatschappij. De werkfondsen (Energiiq € 35 mln, Warmteparticipatiefonds €65 mln en overige nog nader te bepalen fondsen) zullen middelen inzetten via leningen, garanties en participaties om provinciale doelstellingen te bereiken. Uitgangspunt hierbij is dat de middelen revolverend worden ingezet.
ln de voorbereidingen voor de oprichting van dit fonds is gebleken dat er een groot aantal projecten zijn die aan deze schaalsprong bij kunnen dragen. Om dit te kunnen faciliteren en te kunnen versnellen is een uitbreiding van € 25 mln van het Warmteparticipatiefonds noodzakelijk en een ophoging van de risicoreservering Warmteparticipatiefonds met € 6,25 mln in 2 jaar. Onder de ontbindende voorwaarde dat er een positief besluit volgt over de uitbreiding van de infrastructuur voor de warmtevoorziening aan de noordoost kant van de provincie.

Toelichting D: Overige ontwikkelingen

D1: Vrijval post Onvoorzien
In de Begroting 2008 is een structurele post onvoorzien ad € 0,5 mln ingesteld. Dit budget was bedoeld voor incidentele tegenvallers binnen de programma’s. In de afgelopen jaren is deze post onvoorzien niet aangesproken, want incidentele tegenvallers konden binnen het betreffende programma worden opgevangen. Ook vanuit de huidige risicomanagement methodiek is er geen behoefte meer aan saldo op de post onvoorzien. Deze wordt op nihil gezet en de middelen ad € 0,5 mln vallen structureel vrij.

D2: Jaarlijks overschot in exploitatiebudget planvorming bedrijventerreinen
Structurele doorwerking van de Najaarsnota 2017 verlaging exploitatiemiddelen planvorming bedrijventerreinen.

D3: Overhead Projecten
De Begroting 2017 is opgesteld conform de nieuwe BBV regelgeving. Dit had als gevolg dat investeringsprojecten < € 1 mln ook geactiveerd moesten worden, hierdoor zouden de kapitaallasten gaan stijgen. Om dit effect deels te compenseren is ervoor gekozen om de overhead (€ 4,1 mln) niet langer toe te rekenen aan projecten, waarmee de kapitaallasten stabiel bleven. Mede in het kader van het traject “Versnellen, voorspellen en vertellen” is in de begroting kritisch gekeken naar de gehanteerde methode. Hierbij is gebleken dat een deel van de overhead à € 0,8 mln in 2018 oplopend naar € 0,9 mln in 2019 niet langer toegerekend kan worden aan projecten omdat er sprake is van incidentele impulsgelden waar geen structurele lasten aan kunnen worden toegerekend. Daarom wordt de overhead voor de incidentele impulsgelden gedekt uit de algemene middelen. Bovenstaande heeft geen invloed op het percentage overhead zoals genoemd in de paragraaf Bedrijfsvoering.

D4: TOP actualiseren fasering 2017 t/m 2019
Structurele doorwerking vanuit de Najaarsnota 2017. Deze wijziging betreft een bijstelling van de planning. Op basis van de recente inschatting van de activiteiten voor realisatie van ambitie in het Hoofdlijnenakkoord om voorop te willen lopen in het transparant maken van de provincie, wordt de fasering van de kosten over de jaren aangepast. Via de financiële ruimte is € 0,3 mln van 2017 naar 2018 verschoven en € 0,2 mln van 2019 naar 2018. De € 0,3 mln uit 2017 is in de najaarsnota vrijgevallen. Het budget is in het Hoofdlijnenakkoord beschikbaar gesteld.

D5: Overhevelen budget Versterken kwaliteit van de organisatie van 2017 naar 2018
Structurele doorwerking vanuit de Najaarsnota 2017. De middelen voor de versterking van de kwaliteit van de organisatie, zoals beschikbaar gesteld in het Hoofdlijnenakkoord, werden in 2017 niet geheel ingezet. De middelen zijn in de najaarsnota in de Financiële Ruimte vrijgevallen en worden in 2018 weer opgenomen uit de Financiële Ruimte. De opzet van de Kwaliteitsimpuls is om versnelde instroom mogelijk te maken van nieuwe collega’s die met hun kennis en vaardigheden de richting en de ontwikkeling van de organisatie verder brengen. Het budget is verdeeld binnen een aantal prioritaire opgaven. In de praktijk blijkt het voor opgaven afzonderlijk echter een grote inspanning te vragen om in contact te komen met deze groep potentieel nieuwe collega’s. Het type vaardigheden dat wij via de Kwaliteitsimpuls proberen binnen te halen is schaars. Betreffende kandidaten zijn bovendien niet uit zichzelf op de provinciale organisaties gericht. Nadat we ons versterken op onze arbeidsmarktcommunicatie en in contact zijn met deze doelgroep potentieel nieuwe collega’s, zullen we die versnelde instroom in 2018 verder realiseren.

D6: Overig (< 0,5 mln)
Het gaat om ontwikkelingen met een beperkte materiële omvang.

Toelichting F: Rentelasten

F: Rentelasten
Als gevolg van het realistischer ramen vanuit “Versnellen, voorspellen en vertellen" blijkt uit de geactualiseerde liquiditeitsprognose dat de financieringsbehoefte van de provincie in de tijd gezien naar achteren schuift. Hierdoor verschuift ook een deel van de geraamde rentelasten in de tijd en ontstaat er in de periode 2018-2024 een incidenteel voordeel. Voor een nadere toelichting over de ontwikkeling van de rentelasten zie Versnellen, voorspellen en vertellen.

Algemene reserve

(bedragen x € 1 mln)

Huidige
collegeperiode

Nieuwe collegeperiode

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Beginstand jaar

77,5

68,6

75,4

85,7

122,9

166,7

208,5

244,9

Af/bij: mutaties eerdere begrotingen

-10,0

1,6

-1,9

11,2

14,6

12,3

9,8

-2,3

Af/bij:Mutaties Kadernota/Voorjaarnota

-16,8

3,6

6,6

9,4

9,5

7,7

4,8

0,4

Stand na Kadernota/Voorjaarnota

50,7

73,8

80,1

106,3

147,0

186,7

223,1

243,0

Af/bij: mutaties Najaarsnota

17,9

Stand na mutaties Najaarsnota

68,6

Af/bij: mutaties Begroting 2018

1,6

5,6

16,6

19,7

21,8

21,8

25,1

Stand na Begroting 2018

75,4

85,7

122,9

166,7

208,5

244,9

268,1

Buffer weerstandsvermogen

-30,0

-30,0

-30,0

-30,0

-30,0

-30,0

-30,0

-30,0

Vrije ruimte (incidenteel)

38,6

45,4

55,7

92,9

136,7

178,5

214,9

238,1

Toelichting:

In de begrotingssystematiek van de provincie worden begrotingsoverschotten en –tekorten verrekend met de algemene reserve (dit geldt overigens niet voor de ‘gesloten’ begrotingsprogramma’s zoals groen en mobiliteit, waarbij overschotten en tekorten worden verrekend met betreffende programmareserves).
Hierdoor neemt de algemene reserve toe bij een voordelige ontwikkeling van de begroting en af bij een nadelige ontwikkeling. In de (door PS vastgestelde) nota weerstandsvermogen wordt voorgeschreven dat de algemene reserve minimaal € 30 mln moet bedragen, als buffer voor onvoorziene gebeurtenissen. Een eventueel surplus in de algemene reserve wordt aangeduid als “vrije ruimte”.

Door de toevoeging van het voordelig saldo neemt de algemene reserve verder in omvang toe in vergelijking met de stand van medio 2017 (zie Najaarsnota 2017). Van de algemene reserve is € 30 mln bedoeld als buffer voor onvoorziene gebeurtenissen. Er resteert dan nog een bedrag van € 45,4 mln incidenteel beschikbare ruimte in 2018.